Plug In #13. Foto Peter Cox
Plug In #13. Foto Peter Cox

tentoonstelling

Locatie: Van Abbemuseum

Mike Kelley. Categorical Imperative and Morgue

Plug In #13

‘Categorical Imperative’ en ‘Morgue’ zijn projecten die ik speciaal had gemaakt voor een gezamenlijke expositie met Franz West in Brussel in 1999. Het idee achter de twee projecten was simpel: ik zou alles gebruiken wat ik nog in opslag had van restanten van andere projecten.

 ‘Categorical Imperative’ bestaat uit driedimensionale objecten, terwijl Morgue is samengesteld uit tweedimensionale beelden. Het waren allemaal dingen die ik om een of andere reden niet had weggedaan. Ze waren interessant genoeg om te bewaren, maar nooit bruikbaar geweest voor eerdere werken. Wel was een aantal in de ‘Morgue’-collages verwerkte beelden bronmateriaal geweest voor vroegere projecten. In de meeste gevallen gaat het niet om verzamelobjecten: ik heb ze niet aangeschaft omdat ik ze van zichzelf en op zichzelf esthetisch waardeerde. Ik kocht ze speciaal om er kunst mee te maken. Deze twee projecten waren in zekere zin een manier om ‘grote schoonmaak’ te houden, niet alleen letterlijk maar ook geestelijk. Ik was benieuwd waarom ik al die spullen had bewaard (in sommige gevallen dingen die ik al meer dan twintig jaar heb) en waarom ze nooit ‘geschikt’ waren geweest voor esthetisch gebruik. Ik dacht dat deze opdracht me zou dwingen een aantal van mijn artistieke vooroordelen onder ogen te zien.

Vanwege die vooroordelen had ik voor de expositie in Brussel eerst het idee om van de restanten een serie afzonderlijke sculpturen te maken, min of meer in de trant van eerdere assemblages die ik van kunstnijverheidsmaterialen had gemaakt. In die werken combineerde ik dingen op grond van visuele overeenkomsten of metonymische verbanden. Op dat besluit kwam ik al gauw terug. Zodra ik al mijn ruwe materialen in diverse globale categorieën had gesorteerd, zag ik

dat er maar weinig geschikt was voor een interessante compositorische schikking. De eerste groep die ik samenstelde, Black and Yellow, was aan elkaar genaaid en de objecten stonden in een vaste verhouding tot elkaar. Dat werk vond ik te ‘esthetisch’, vooral in vergelijking met de groepscomposities van voorwerpen die zich niet leenden voor synthese. Na dat werk zag ik ervan af om voorwerpen aan elkaar te naaien of anderszins met elkaar te verbinden. Ik legde ze gewoon op hoopjes of ik showde ze op etalagepoppen. Ik streefde er niet meer naar om vaste composities te maken. Dat leidde in mijn optiek tot objecten die veel weg hadden van traditionele, door dada beïnvloede rommelsculpturen.

Een van de effecten die ik wilde vermijden was de ‘nostalgische’ ondertoon in veel rommelassemblages. Zo kwam ik tot de sculpturen waarbij diverse voorwerpen zijn gerangschikt op duidelijk nieuwe constructies, die aan meubels doen denken. Deze werken vind ik heel verhalend overkomen vanwege de associaties die de meubelvormgeving oproept. Een ziet er enigszins uit als een kostschoolbureautje, een ander als een spelletjestafel van een kind, en een derde als een patriottische uitstalling of studiehoek. Allemaal suggereren ze een afwezige protagonist wiens karakter wordt geïmpliceerd door de keuze van de uitgestalde voorwerpen en hun relatie tot de vormgeving van de meubelachtige onderstellen. Deze werken zijn deels ook ontstaan omdat de tentoongestelde voorwerpen er op de grond gewoon niet fraai uitzagen. In sommige gevallen hadden de voorwerpen een verticale oriëntatie nodig, zoals bij ingelijste schilderijen.

Het leek me interessant om al die groepen als een geheel bij elkaar te zien, zodat ik ze kon vergelijken en contrasteren, en binnen dat geheel wilde ik een ingeperkte diversiteit. Een verzameling voorwerpen in allerlei maten, hoogten en gewichten ziet er interessanter uit dan gelijkschalig materiaal op één laag vlak. Dus ondanks het feit dat ik geen voorwerpen met vaste composities meer probeerde temaken, bleef ik het totale project uitwerken binnen een geformaliseerd kader. Hoewel de afzonderlijke groepen in het ‘Categorical Imperative’-project geen vaste plaats ten opzichte van elkaar hebben, heb ik ze samengesteld met het oog op

diversiteit. Ik heb enigszins rekening gehouden met de proportionele verhoudingen binnen het project, die er altijd zijn ongeacht de manier waarop het in een gegeven bouwkundige ruimte is samengesteld.

Die formele overweging is echter bij dit werk niet mijn voornaamste aandachtspunt. Ik ben meer geïnteresseerd in het categoriseringsproces, in de diverse criteria die ik heb gehanteerd bij het groeperen van de voorwerpen. Dat hangt samen met een algemene trend in mijn werk van de laatste jaren: een historische gerichtheid of in elk geval een soort spel met de historische achtergrond van mijn begrip van het formele. Dat ‘historische perspectief’ bracht me ertoe om het werk te brengen als ‘beeld plus verhaal’ dus om er een tekstueel element aan toe te voegen dat verklaarde hoe en waarom ik aan al die spullen ben gekomen. Die benadering bevrijdde me van het knagende gevoel dat ik afzonderlijke en afgeronde werken moest maken. ‘Categorical Imperative’ en in mindere mate ‘Morgue’ werden gewoon archieven en behoefden daarom geen compositorische aandacht. Al moet ik erbij zeggen dat dat bij ‘Morgue’ niet helemaal waar is, want als collages zitten ze vast en kunnen ze niet gewijzigd worden. Toch streefde ik, naarmate de collages vorderden, er steeds minder naar om ze artistiek te componeren en uiteindelijk zette ik de beelden gewoon in elkaar als een mozaïek. De nadruk ligt duidelijk meer op categorieën dan op compositie. Dat blijkt het sterkst uit de collages waar de categorieën gemengd of onherkenbaar zijn. Bij een moeilijk herkenbare categorie neemt de kijker mijns inziens zijn toevlucht tot de compositie van de collage om die te duiden. Maar deze collages zijn compositorisch nu eenmaal niet zo interessant, zodat de werken die niet duidelijk op type geordend zijn betekenisloos lijken. Ik maakte de collages voordat ik aan de driedimensionale objecten begon. Ik werkte heel snel, bijna als een soort warming-up voor het project ‘Categorical Imperative’.

Ik heb geprobeerd om me in de tekstuele component van dit werk niet te druk te maken over stijlkwesties. De teksten bestaan uit prozaïsche herinneringen aan de diverse archiefelementen. Ik wil deze teksten in ingesproken vorm presenteren op een CD, die de bezoekers kunnen beluisteren terwijl ze de expositie bezichtigen. Deze vorm van presentatie is niet ongebruikelijk bij musea. Omdat deze verklarende tekst voor de expositie in Brussel niet af was, probeerde ik daar een deel van de informatie te geven met een live performance tijdens de opening. Die performance ging voor de vuist weg. Ik praatte over een aantal categorieën en diverse afzonderlijke objecten, onder begeleiding van een plaatselijke muziekgroep, de Fan Club Orchestra, die een soort rauwe geïmproviseerde elektronische muziek maakt. Door die live wisselwerking lukte het me niet om het materiaal zo onnadrukkelijk te presenteren als ik had gehoopt. Het was moeilijk om vocaal niet te reageren op het ritme van de muziek en op andere geluiden. De performance werd muzikaler en theatraler dan ik had voorzien. Daardoor kwam bij het publiek waarschijnlijk niet zoveel door van wat ik vertelde.

Wat mijn aangegeven bedoelingen betreft, is ‘Categorical Imperative’ in veel opzichten - en tot op zekere hoogte met opzet - een mislukking. Ook al zeg ik hier dat het werk primair historisch georiënteerd is, zo zal de doorsnee-bezoeker er volgens mij niet naar kijken. En ook al luistert men naar al het tekstuele materiaal dat ik ter verklaring lever, ik denk niet dat die ervaring het sterke visuele en formele effect van het werk zal overstijgen. De teksten zeggen ook niets bijzonder interessants over esthetiek. Het zijn gewoon persoonlijke anekdotes en mijmeringen. Alleen de fysieke aanwezigheid van de verteller zelf zou misschien sterk genoeg zijn om die hoopjes rommel iets van ‘historische’ relevantie te geven. Door mijn aanwezigheid als historisch referentiepunt zou dat allegaartje van voorwerpen een gemeenschappelijke noemer krijgen, een noemer die in het psychologische vlak zou liggen en die de aandacht zou afleiden van een formalistische beschouwing. Maar het werk op zich is niet in staat om die psychologische dimensie over te brengen. En ik moet zeggen dat ik niet bijster benieuwd ben naar een interpretatie die zo leunt op mijn persoonlijke geschiedenis en psyche. Uiteindelijk vind ik het werk interessanter en humoristischer in zijn pretentie om een soort grootse sociale esthetische geschiedenis te illustreren, dan als voorbeeld van

de willekeurige maaksels van een individu. Al zou je de benadering van deze verzameling objecten als ‘psychologisch materiaal’ eventueel politiek kunnen uitleggen als steun voor het idee dat een theorie van kleine geschiedenissen belangrijker is dan een ‘Grote Geschiedenis’, een idee dat ik onderschrijf.

 

Mede mogelijk gemaakt door

Mondriaan Stichting Mondriaan Stichting

Mike Kelley. Categorical Imperative and Morgue - Plug In #13 is onderdeel van: Plug In

Van Abbemuseum
Bilderdijklaan 10
5611 NH Eindhoven
Nederland
T: +31 40 238 1000
info@vanabbemuseum.nl


Disclaimer & Colofon

Openingstijden: di t/m zo van 11:00 tot 17:00 uur
Iedere eerste donderdagavond van de maand tot 21:00 uur geopend.
Vanaf 17:00 uur is het museum dan gratis te bezoeken.

 

 

Het Van Abbemuseum wordt onder andere ondersteund door: