In de Salon: Charles Esche 1
Vrienden Van Abbemuseum

In de Salon: Charles Esche

over de Biënnale, van landenpromotie tot aanraakbaarheid van de geschiedenis
06/02/2017

Charles Esche heeft als directeur van het Van Abbemuseum meermalen de gelegenheid kunnen aangrijpen om op andere plaatsen in de wereld zijn visie op kunst, cultuur en maatschappij vorm te geven. De biënnale is daarom voor hem een geschikt instrument. Vanavond in de Salon, voor een groot en geïnteresseerd publiek, wil hij de ontwikkelingsgang van het verschijnsel biënnale zichtbaar maken en vertellen welke rol hij daarin kan en wil spelen.

Het fenomeen Biënnale vindt zijn oorsprong in Venetië. In 1895 werd de eerste Biënnale georganiseerd. De Biënnale is een tweejaarlijkse gebeurtenis op het gebied van kunst en cultuur. Tweejaarlijks, vandaar de naam biënnale. Behalve in tijden van onrust en van oorlog waren er langere tussenpauzes. Het kernidee bij het ontstaan van de Biënnale van Venetië was het feit dat men behoefte had aan een grote kunsttentoonstelling om de stad aantrekkelijker te maken in de toeristische sector. Het bestuur van Venetië had het gevoel dat men op dat moment de economische mogelijkheden van de stad daardoor kon vergroten. Maar financieel was de organisatie van een biënnale voor de stad Venetië te hoog gegrepen. Men kwam op het illustere idee om landen uit te nodigen. Elk land kon zich op het gebied van kunst, cultuur en kennis presenteren. En daarmee verlegde men tevens de financiële last naar de deelnemende landen. Zo ontstond een tweejaarlijkse tentoonstelling waar elke natiestaat zijn eigen ruimte kreeg om kunst, maar ook producten en kennis van dat volk te laten zien.

In de beginjaren van de Biënnale van Venetië legden de deelnemende landen het accent op de kunsthistorische benadering. Kunstzinnige ontwikkelingen binnen hun eigen cultuur die zich toespitsen in een 'school' bepaalden de uitstraling in hun presentatie. En vooral de geniale momenten en personen kregen de voorrang. Daarbij gebruikten zij deze kunsthistorische benadering ook om hun politieke visie daarin te weerspiegelen. De kunst, cultuur en de kennis belichaamden de ideologie van het land en de kunstenaar vertegenwoordigde dus niet in de eerste plaats zich zelf, maar eerder was hij een representant van de identiteit van zijn eigen land, waardoor het eigen nationalistische gedachtegoed centraal bleef staan.

Ieder land bouwde in Venetië zijn eigen tentoonstellingsgebouw dat eigendom was en bleef van het desbetreffende land. Het is niet verwonderlijk dat het Italiaanse paviljoen het grootste is. Vooral de imperialistische landen hebben de grootste en indrukwekkendste gebouwen neergezet. In de gebezigde architectuur probeerden zij iets van hun eigen cultuur en ideologie zichtbaar te maken. Het gebouw van de Verenigde Staten toont bijvoorbeeld de grandeur van het Classicisme. Daarnaast vertegenwoordigt bijvoorbeeld de architectuur van Rietveld het Nederlandse eigene. Andere landen kochten een bestaand gebouw. Venetië bouwde een enorm Venetiaans Paviljoen om lokale kunstenaars te promoten. Interessant is het om te zien waar de verschillende paviljoens zijn gesitueerd in Venetië. Want ook de plaatsing van de landen binnen het gebied van de biënnale heeft een politieke component. Momenteel nemen ongeveer 150 landen deel aan de biënnale. Nu zijn ook de landen vertegenwoordigd die zich hebben ontworsteld aan de koloniale druk. Aanvankelijk werden zij gezien als een onderdeel van de grote imperialistische beschaving, maar nu is bijna elke natiestaat zelfstandig aanwezig in Venetië.

 Het Nederlands paviljoen

Het Duits paviljoen

Vanaf 1895 worden op verschillende plaatsen op de wereld biënnales georganiseerd. Belangrijke biennales zijn in 1949 in Sonsbeek, 1951 São Paulo, in 1955 is de Documenta in Kassel, in 1959 Parijs, en in 1973 Sydney. Vooral de Documenta in Kassel bepaalde het toekomstige gezicht van de biënnale. Hier werd een curator in de gelegenheid gesteld om een thematisch opzet te laten prevaleren boven een nationalistisch kader.

In de loop van de jaren ziet men een verschuiving binnen de inhoudelijke betekenis van de biënnale. Dat komt natuurlijk ook doordat andere landen en steden meer mogelijkheden zien in het fenomeen biënnale. De biënnale kan zowel economisch, cultuurhistorisch als ideologisch een rol spelen. En langzaam wordt dan zichtbaar dat kunst, cultuur en kennis een stimulans kan zijn om bepaalde ideologische en politieke doelen te bereiken of te benadrukken. Dat betekent dat de biënnale zich vanuit dat oogpunt als propagandistisch instrumentarium ontwikkelt tot een mogelijkheid om motiverende maatschappelijke tendensen in een land te benadrukken. In plaats van een representatieve functie krijgt de biënnale een maatschappelijk activerende rol toebedeelt. Research wordt een belangrijke component. Vooral het onderzoek is van belang naar de plaats die de sociale eenheid inneemt en hoe haar rol zich in de loop van de geschiedenis evolueert. De kunstenaar neemt in dit proces een vooraanstaande plaats in. En de curator is de persoon die het debat aangaat en samen met de kunstenaar zichtbaar wil maken wat de belangrijke issues zijn om een biënnale als een instrument te gebruiken om kunst met maatschappelijke mogelijkheden en onmogelijkheden te verbinden.

In de loop van de jaren ziet men een verschuiving binnen de inhoudelijke betekenis van de biënnale. Dat komt natuurlijk ook doordat andere landen en steden meer mogelijkheden zien in het fenomeen biënnale. De biënnale kan zowel economisch, cultuurhistorisch als ideologisch een rol spelen. En langzaam wordt dan zichtbaar dat kunst, cultuur en kennis een stimulans kan zijn om bepaalde ideologische en politieke doelen te bereiken of te benadrukken. Dat betekent dat de biënnale zich vanuit dat oogpunt als propagandistisch instrumentarium ontwikkelt tot een mogelijkheid om motiverende maatschappelijke tendensen in een land te benadrukken. In plaats van een representatieve functie krijgt de biënnale een maatschappelijk activerende rol toebedeelt. Research wordt een belangrijke component. Vooral het onderzoek is van belang naar de plaats die de sociale eenheid inneemt en hoe haar rol zich in de loop van de geschiedenis evolueert. De kunstenaar neemt in dit proces een vooraanstaande plaats in. En de curator is de persoon die het debat aangaat en samen met de kunstenaar zichtbaar wil maken wat de belangrijke issues zijn om een biënnale als een instrument te gebruiken om kunst met maatschappelijke mogelijkheden en onmogelijkheden te verbinden.

In 1980, bij de biënnales van Havanna en Istanbul, wordt dit nieuwe beeld zichtbaar. Europese invloeden vermengen zich met culturele impulsen van de andere landen, waardoor curatoren de kans krijgen om nieuwe 'biënnale 'kunst te laten ontstaan. De globaliseringbeweging na 1989 scherpt deze ontwikkeling verder aan. De Biënnales van Gwangju in Korea in 1995, Shanghai in 1996, Berlijn in 1998, Liverpool in 1999 zijn exemplarisch. Na het jaar 2000 worden biënnales in meer dan honderd steden per jaar georganiseerd. ook Jakarta organiseert een biënnale in het jaar 2009. Deze biënnale is voor Charles Esche van bijzonder belang,omdat hij daar als curator zijn visie op de verbinding van kunst en maatschappij kon laten zien.

Als Charles wordt uitgenodigd als curator voor de Biënnale van Jakarta vormt hij allereerste een team. Dit team bestaat uit jonge conservatoren, kunstenaars en politici en personen uit het maatschappelijk veld die allen vanuit hun verschillende achtergronden mede de strategie kunnen bepalen. Waarna het veldresearch een aanvang neemt. Men bezoekt kunstenaars, men stelt vragen, men poneert de eigen westerse vooroordelen en antwoordt daarop als reactie in het gesprek Zo ontstaat langzamerhand bij de deelnemers, bij het team, een proces van bewustwording. Kunstenaars worden in hun eigen omgeving bezocht. Tijdens gesprekken aan hun eigen tafel komen belangrijke zaken naar voren. Men onderzoekt wat men wil laten zien, wat voor hen van cruciaal belang is in de maatschappij en hoe men als curator en kunstenaar moet omgaan met de thema's die samen gekozen zijn.

In Jakarta werd voor drie thema's gekozen: water, stadsontwikkeling en marginalisatie. Elk thema biedt mogelijkheden om vanuit een kunstzinnige hoek maatschappelijke issues aan de orde te stellen. Bij het thema water is vooral in een stad als Jakarta het gebruik van water van groot belang. Hoe gaat men om te gaan met waterbeheersing in tijden van overvloed of tekort, hoe anticipeert men op het probleem van waterreiniging en vormen van hygiëne. Het thema stadsontwikkeling biedt inzicht in gebruik van water als vorm van infrastructuur, maar ook komt illegaliteit aan de orde. En wat te doen met  afval en recycling. Marginaliteit wil inzage geven in intermenselijke aspecten. Bijvoorbeeld welke positie neemt men in wat betreft jeugdproblematiek, welke plaats nemen  weeshuizen in de maatschappij in en daarmee de samenhangende problematiek van het te vondeling leggen van kinderen. Wat is de visie op vrouwenemancipatie, homosexualiteit en de functie van religie in de gemeenschap. Wetenschappers, planologen en andere deskundigen werden geconfronteerd met ideeën van kunstenaars, die vanuit hun professie bijna altijd een vanuit een andere invalshoek naar deze onderwerpen keken.

Toen de thema's uitgekristalliseerd waren werd een ruimte gevonden in de stad. Financieel was het niet mogelijk om speciale ruimtes te bouwen. In de stad kon men echter een leegstaande fabriekshal huren. 

In Jakarta werden westerse kunstenaars in contact gebracht met lokale kunstenaars. Dit contact kon leiden tot samenwerking en tot ontwikkeling van nieuwe visies op heersende problematieken. Nederland werd onder andere vertegenwoordigd door Bik en Van de Pol, kunstenaars die recent in het Van Abbemuseum projecten tot stand brachten.

Het thema in Jakarta was Maju Kena Mundur Kena, wat betekent: Nog voorwaarts, noch terugwaarts. Want kunstenaars willen dat de geschiedenis waar zij deel van uitmaken aanraakbaar wordt. Verleden en toekomst komen bijeen in een kwetsbaar moment!

Charles Esche laat zien dat zijn curatorschap ook buiten zijn eigen museum een waardevolle bijdrage kan leveren aan de discussie over de verwevenheid van kunst en maatschappelijke identiteit. De daardoor ontstane nieuwe vergezichten kunnen een impuls zijn in het debat over de waarde en toekomst van kunst in onze eigen geschiedenis. 

Bekijk deze link voor een geheel overzicht van de presentatie van Charles Esche.