In de Salon: Peter Thoben over 'vergeten kunstenaars'
Henricus Turken, Binnenhuis met vrolijk gezelschap, ca. 1828
Vrienden Van Abbemuseum

In de Salon: Peter Thoben over 'vergeten kunstenaars'

07/04/2020

Niet elke kunstenaar 'haalt' het museum. Daarbij voorop gesteld dat er een museum is! 1936 is een cruciaal jaar als het van Abbemuseum zijn deuren voor het eerst opent. Vanaf dat moment wordt het zicht op het culturele klimaat voor het eerst zichtbaar voor het grote publiek. Daarvoor was beeldende kunst slechts zichtbaar als die gepresenteerd werd in de openbare ruimte. Kerk, regionaal bestuur en instituten voor gezondheidszorg en zaaltjes van cafés of hotels waren de enige plekken die gelegenheid boden om kunst te ontmoeten. Schilderkunst speelde ondanks alle goede bedoelingen toch veelal een rol in interieurs en bleef zo verborgen voor hen die daar niet toegelaten werden.

In de regio Eindhoven wordt heel lang het klimaat bepaald door amateurs en autodidacten. Voor een opleiding tot kunstenaar moest men zich wenden tot de kunstacademie in Noord-Brabant van 's Hertogenbosch of Tilburg. Buiten de provincie was het slechts mogelijk de vakopleiding te volgen in Antwerpen, Den Haag of Amsterdam. Als in 1950 in Eindhoven de Middelbare Kunstnijverheidsschool wordt opgericht, vanaf 1955 de Academie voor Industriële Vormgeving, verschuift het accent van amateurisme naar professionaliteit.

Peter Thoben (hier rechts verbeeld) begint zijn verhaal met Eindhovenaar Henricus Turken, geboren in 1791. Hij volgde zijn opleiding in Antwerpen. In 1820 werd hij benoemd tot directeur van de Stadsacademie voor Teeken- en Schilderkunst in Den Bosch. Zijn werk is opgenomen in de collecties van het Noordbrabants Museum in de Bosch en Museum Kempenland in Eindhoven. Na mislukte pogingen het kunstonderwijs te vernieuwen nam hij ontslag en vertrekt hij naar Brussel. in 1856 overlijdt hij door verdrinking in de Maas bij Luik.

Piet Teunissen, Stilleven met beeld en boekenPiet Teunissen, Stilleven met beeld en boeken.

Het ambachtelijk-technisch kunnen speelt een grotere rol in Eindhoven in het midden van de negentiende eeuw dan het artistiek talent. Men beoefent voornamelijk de portretkunst. Een voorbeeld hiervan is Lambertus van den Wildenberg. Hij studeerde bij Henricus Turken in Den Bosch en ging daarna naar België. Als Alois Senefelder in 1798 de lithografie ontdekt kan men als kunstenaar snel en massaal voordelig afbeeldingen maken. Na 1837 is dat ook in kleur mogelijk. Wildenberg lithografeert portretten. Zijn clientèle bestaat voornamelijk uit de gegoede burgerij. Daarnaast maakt hij ook kruiswegen voor kerken, maar daarvan is nagenoeg niets bewaard gebleven. 1835 keert hij terug naar Eindhoven en wordt van 1839 tot 1857 directeur van de Teekenschool.

Portretkunst is voor veel kunstenaars een goede bron van inkomen, vooral als zij gaan profiteren van de ontdekking van de fotografie. Toch blijven veel kunstenaars hun beroep trouw, zoals Nicolaas Wintelroy, Emmanuel van de Ven, Petrus Slager. In het nabije Boxtel wordt Kunstinrichting Peinture Bogaerts een belangrijke speler in de markt van de portretkunst. Als beeldhouwer moet Johannes Kluijtmans en Jan Custers worden genoemd en als zilversmid Driekske van Gardinge.

In mei 1874 werd de vereniging 'de Bouwkundige Vakken' opgericht naar aanleiding van het zilveren regeringsjubileum van koning Willem III. De vereniging organiseert in 1893 een kunstnijverheidstentoonstelling in Eindhoven. De tentoonstelling wordt gehouden in Apollo's Lust aan de Vestdijk met werk van Joseph Gindra, Anton Kerssemakers en Antoon Hermans. Interessant is dat Kerssemakers nog heeft samengewerkt met Van Gogh, net als de 'verver' Jan Baijens en de lithograaf Dimmen Gestel. Als de vereniging in 1914 veertig jaar bestaat wordt nogmaals een groots opgezette tentoonstelling georganiseerd bij de voormalige Muloschool aan de Willemstraat.

Lambert van den Wildenbergh, Lucia Aertnijs-Sauvé - 1857Lambert van den Wildenbergh, Lucia Aertnijs-Sauvé - 1857

In navolging van ontwikkelingen in het buitenland wordt het na 1880 interessant om als schilder naar buiten te trekken en het landschap en zijn inwoners te schilderen. Veel schilders werken in de dorpen rond Eindhoven, zoals Bladel, Son, Breughel, Best en Oirschot. Jan Kruysen is een van die schilders die de natuur en het 'onbedorven' leven opzoekt. In eerste instantie schilderde hij 'fotografische' portreten om zich een levensstandaard te verwerven, maar wordt toch vanwege huurschuld op straat gezet, hij gaat met echtgenote en kinderen in de Woenselse Oude Toren wonen. Na de dood van zijn vrouw bij de geboorte van het zestiende kind verhuist hij naar Heeze. Zijn twee oudste kinderen Maria en Antoon gaan met hem mee, de anderen moeten naar kostschool. In Heeze ondergaat hij de invloed van andere kunstenaars die hem de coloristische kracht van de schilderkunst tonen. Vanaf dat moment zal niet de lijn, maar de kleur zijn werk bepalen.

Wie ook nog genoemd mogen worden zijn Piet Peeters, Nico Eekman en beeldhouwer Ward van Asten. In 1917 richt men Kunstkring De Kempen op in de paardenstal van Hezemans in Eindhoven.

Kunstmarkt 1957Kunstmarkt 1957
Foto van Peter ThobenIn de salon: Peter Thoben

Na de Eerste wereldoorlog wordt Eindhoven groter en verliest haar dorpse karakter. Op school wordt het vak tekenen verplicht gesteld. In de Bergstraat wordt door tekenleraren een tekenclub opgericht met onder andere Piet Teunissen. Ook de schrijver en hoofdredacteur van het Eindhovensch Dagblad Jurriaan Zoetmulder en de architect Louis Kalff zijn hier lid van. Via Kalff krijgt Philips een ontwerpafdeling die veel kunstenaars aantrekt. In oktober 1929 wordt de Eindhovense Schetsclub opgericht met als doel docenten voor de lagere tekenakte op te leiden. Hier tekenen professionals en amateurs naar levend model, zowel gekleed model als later ook naaktmodel. Harry Maas is de drijvende kracht van de Schetsclub. Landschappen worden getekend en geschilderd waarin de lossere toets zichtbaar wordt. Veel leden zijn docent of maken gebruik van bijstand via de Kunstregeling. De komst van het Van Abbemuseum in 1936 is een van de belangrijke stimulansen die de kunst uit het circuit van amateurisme haalt.

Na de Tweede Wereldoorlog richt professor Hans Jonker de Kunstkring De Kempen op. In 1946 krijgen zij van Edy de Wilde een expositie in het Van Abbemuseum. In 1949 nogmaals. Ieder mag tien werken inleveren die beoordeeld worden door een commissie. Edy de Wilde is van belang voor de Brabantse schilders en laat werk zien van Pardoel, Peer van den Molengraft en Jan en Thea Gregoor.

Kunst en cultuur krijgen steeds meer de ruimte. Er ontstaan initiatieven zoals de Sociëteit Cultureel Contact met drukker Louis Vrijdag die secretaris is. Een neef Peter Louis Vrijdag is de stichter \van het Nederlands Steendrukmuseum in Valkenswaard. In 1956 en 1957 is er een lustrum tentoonstelling van kunstenaars die geen expositiemogelijkheid kregen in het Van Abbemuseum. Kees Bol bedenkt de naam voor de Krabbedans waarin werk is te zien van Gustave Asselbergs en Johan Lennarts. Kunsthandel Pijnenborg opent zijn deuren aan de Keizersgracht. 

Antoon Hermans, 1889Antoon Hermans, 1889

Zo krijgt het culturele leven in Eindhoven in de loop der jaren steeds meer vorm. Kunstinitiatieven zoals De Krabbedanse, het Van Abbemuseum, maar ook galerieën geven kunstenaars kans hun werk zichtbaar te maken en verschaffen kunstenaars een beeld van kunstzinnige ontwikkelingen buiten Eindhoven. In de Fabriek in de Baarsstraat krijgt ook de avant-garde een kans. In de Tongelresestraat in een oude sigarenfabriek initieert Het Apollohuis vele vormen van experimenten in de beeldende kunst. Stichting Beeldenstorm en Daglicht zijn werkplaatsen die kunstenaars onbelemmerd kansen verschaffen te experimenteren met materialen en technieken. 

Vergeten kunstenaars. Als kunstenaar is het geen schande om die titel te mogen dragen. Dat zij vergeten zijn mag ook tussen aanhalingshaakjes worden geplaatst. Zij zijn toch kunstenaars die voor velen de wegbereiders van een cultureel klimaat zijn die vanuit een kleine kring uiteindelijk de regio heeft overspoeld. Hun wil om zich ten koste van veel als kunstenaar te uiten wekt grote bewondering.

Veel kunstenaars zijn in dit artikel niet genoemd. Dat betekent niet dat zij niet van belang zijn geweest voor het culturele klimaat van Eindhoven en omgeving. In dat verband wil ik wijzen op de publicatie van de serie '150 jaar Leven in Eindhoven'.

Janus Sibens, Winter in Gijzenrooi, 1955Janus Sibens, Winter in Gijzenrooi, 1955

In april 2018 verscheen in de serie 150 jaar leven in Eindhoven het speciale nummer: Beeldende kunst over opgang en afbouw. Hierin wordt door Peter Thoben een mooi en uitgebreid overzicht gegeven van de worsteling die de beeldende kunst in de regio Eindhoven heeft moeten doormaken. Het rijk geïllustreerde artikel is verkrijgbaar bij Uitgever Optima, ISBN 8 776940 400065 of bij boekhandel Van Pierre.

Kunst- en cultuurhistoricus Peter Thoben (Nijmegen 1951) hield in de Salon een inspirerende lezing over het onderwerp 'vergeten kunstenaars'. Hij studeerde kunstgeschiedenis en archeologie aan de Katholieke Universiteit (nu Radboud Universiteit) Nijmegen, waar hij in 1980 cum laude afstudeerde. Van 1981 tot 2010 was hij directeur-conservator van Museum Kempenland Eindhoven. In eigen museum en als gastconservator organiseerde hij talloze tentoonstellingen van minder bekende en bekende Brabantse kunstenaars, veelal begeleid door catalogus of publicatie.

Jef van Turnhout, Muziek - 1962Jef van Turnhout, Muziek - 1962