In de Salon: Toon Verhoef
Vrienden Van Abbemuseum

In de Salon: Toon Verhoef

over Velasquez, over vlekken, over penseelstreken en mythen, over de essentie van schilderkunst
10/04/2019

Toon Verhoef spreekt bedachtzaam. Kalm, rustig, overwogen. Eerst nadenken dan pas handelen. Impulsen en toeval lijken ogenschijnlijk, maar berusten altijd bij hem op een concept.  Bedachtzaamheid, kenmerkt dat zijn persoon? En zijn kunst? In de documentaire De Hollandse Meesters zien we iemand die bij alles wat hij doet van tevoren zijn doel heeft bepaald. Vanaf het opspannen van een doek tot het uiteindelijke beeldende proces van het schilderen. We missen de snelle beweging, het impulsieve, het toelaten van het toevallige wat zo ineens kan gebeuren.  Het resultaat is esthetica. Ordening, zowel van vorm als kleur als techniek wordt samengevoegd tot een voltooide symfonie.

Verklaart dit zijn keuze voor Velasquez waarover hij in de Salon van de Vrienden spreekt? Ik denk het wel. Toon Verhoef verhuisde met zijn ouders als kind naar Argentinië, waardoor zijn gevoel voor de Spaanse taal en cultuur hem tevens vormde.  Vandaar dat hij de kans aangrijpt om  de gedachten van Ortega y Gasset over Velasquez uit het Spaans te vertalen in het Nederlands. Ortega, net als Toon Verhoef, is ook iemand die eerst nadenkt en observeert en dan na een fijnzinnige analyse zijn mening geeft en zichtbaar maakt. Ortega en Verhoef, ze hebben elkaar gevonden!

Toon Verhoef spreekt voor de Vrienden van het Van Abbemuseum over het schilderij ‘Las Hilanderas’, het op een na laatste schilderij van Velasquez. Hij schilderde het in 1657. Het bevindt zich in het Prado in Madrid en is 220 bij 289 cm groot.

Velasquez was de hofschilder van de Spaanse koning Philips IV. Hofschilder betekent dat hij leefde aan het hof en daar zijn schilderijen maakte in dienst van en voor de koning. Tevens verzorgde hij de kunstschatten die zich in het immense paleis opstapelden. Wij weten niet zo veel van zijn persoonlijke leven. Waarschijnlijk gebeurde er ook niet zoveel. Hij was de gentleman in dienst van de koning die soms wat penseelstreken zette. Hij was de man die observeerde en daar in zijn schilderijen van getuigde. Hoe hij dat deed? Toon Verhoef vertelt daar uitgebreid over. 

Velasquez wordt wel een van de minst productieve schilders genoemd. Vanaf zijn drieëntwintigste levensjaar tot aan zijn dood in 1660, zevenendertig jaar later, woont hij in het koninklijk paleis. In die tijd schilderde hij portretten en is de schilderkunst voor hem een zuivere artistieke bezigheid. Uiteindelijk kan men stellen dat hij altijd in zijn werk antwoorden geeft die getuigen van esthetische aard. Hij beschouwt de kunst als een zuiver systeem van esthetische kwesties die om een oplossing vragen. Meestal lijken zijn schilderijen niet voltooid. Op die wijze neemt hij afstand  van het onderwerp, de laatste finishing touch ontbreekt. Hij laat iets over aan de kijker en betrekt die in het esthetische spel. 

Velasquez schilderde vlekken. Vlekken in olieverf die aandoen alsof het aquarellen zijn. Vlekken, penseelstreken die van dichtbij bekeken het geheim van de observatie verborgen houden en na afstand nemen de door hem waargenomen realiteit laten zien. Hij bekijkt de dingen van veraf, daardoor worden ze fantomen, schimmen. Natuurlijk schildert hij portretten, want dat is voornaamste reden van bestaan aan het hof. Hij maakt portretten van diegenen aan het hof die zijn bestaan als kunstenaar mogelijk maken: de koning, zijn gezin en enkele kleine omstanders die het leven in het paleis kleur geven. Zoals de dwerg. De dwerg die ook in Las Meninas, ongetwijfeld zijn beroemdste werk, ook de kijker met zijn blik antwoord geeft. Niet Velasquez geeft dit antwoord, wel de personage. Want Velasquez is het genie van de onverschilligheid. Hij schildert niet zichzelf, maar de ander.

Ortega: ‘Betoverd door de gratie van zijn penseelvoering, die niet één streek zet zonder intense noodzaak, irriteert het dat hij zo weinig doeken maakt, en dat van die weinige, één derde besteed is aan portretten van een zo weinig interessant iemand als Philips IV.’ Portretten zijn voor hem het radicale middelpunt van de schilderkunst.

Velasquez verplaatst de werkelijkheid naar het schilderij, maar zonder dat zij ophoudt een ‘miserabele werkelijkheid ‘ te zijn. Hij ziet de kans schoon om de het alledaagse om te zetten in voortdurende verrassing en verwondering. Ortega noemt dit negatieve behendigheid. Hij is de echte realist. Maar hij kiest zijn elementen uit de realiteit, die momenten die hij strikt noodzakelijk vindt om de schim af te beelden, de pure visuele entiteit. Ortega verwoordt dat prachtig als hij schrijft over Las Hilanderas: ‘Het drama, de gebeurtenis, bestaat uit het overgaan van afwezigheid naar aanwezigheid, het bijna mystieke van de verschijning. Eeuwig voeren de personages hun eigen verschijning op, en daarom zijn ze als verschijningen: Nooit installeren zij zich volledig in de werkelijkheid en worden ze helemaal zichtbaar – maar ze komen voortdurend tevoorschijn uit het nietzijn, van de afwezigheid naar de aanwezigheid.’

Ook dit kan gezegd worden over Las Meninas, het grote geheimzinnige en raadselachtige werk waarover Theophile Gautier, de Franse criticus en schrijver uitriep: ‘Waar is het schilderij?’ Een eeuw later zal Ortega y Gasset bijna hetzelfde herhalen over Las Hilanderas als hij zegt dat Velasquez ‘het schilderij uit het schilderij haalt.’ 

Wat laat Velasquez in het schilderij Las Hilanderas zien? Wat is het verhaal? Velasquez vertelt hier het verhaal van Arachne. Hij doet dat op zijn eigen en bijzondere manier, en anders dan zijn tijdgenoten het verhaal zouden verbeelden. Ortega zegt: ‘Voor hen was het de belofte van onwaarschijnlijkheden.’ Velasquez daarentegen ziet hier een mogelijkheid om figuren binnen een geloofwaardige situatie bijeen te brengen.

Velasquez schildert in Las Hilanderas niet datgene wat naar zijn oordeel niet geschilderd kan worden. Wat zien we. Pallas Athena, de godin van naaldwerk en weven figureert als een oude vrouw in de werkplaats. Haar leerling en haar uitdager is Arachne staat rechts afgebeeld. Dat is de eerste voorstelling in de voorgrond. De tweede voorstelling is een wandtapijt, gemaakt door Arachne, dat de ontvoering van Europa toont, een direct citaat van een schilderij van Titiaan. Athena draagt haar wapenuitrusting, Arachne zal later veranderen in een spin en is gedoemd om eeuwig in de werkplaats te blijven spinnen. Dit is het verhaal. En hoe verbeeldt Velasquez dit?

Wat allereerst opvalt aan het schilderij is dat hij laat zien wat men met verf kan doen. Hij laat verf zien in plaats van een imitatie van mensenvlees. Vlekken en klodders lijken ogenschijnlijk op niets en blijven bij aandachtige nabije beschouwing altijd verf. De Italiaanse kunstenaar Vasari schrijft in zijn beroemde boek over zijn tijdgenoten dat bij Titiaan het schilderij op afstand bekeken moet worden wil de voorstelling duidelijk worden. Velasquez leerde van dit Venetiaanse colorito. In zijn tijd verschijnt veel literatuur over deze werkwijze, de techniek die wordt beschreven in termen van vlekken en vegen, ‘manchas y borrones’. Ortega noemt de onnadrukkelijke, schijnbaar onopzettelijke schilderwijze ‘onverschilligheid’. Bij Velasquez is deze onverschilligheid slechts schijn. Alle vlekken die hij op het doek creëert zijn nooit mislukt, maar altijd gelukt! Vergeet niet dat een hand beweegt en die vlekken maakt! Die hand wordt bewogen door een intentie die is ontstaan in het hoofd van een mens. Elke penseelstreek, elk stukje pigment heeft een voorgeschiedenis, want wat bracht de schilder er toe om juist dat te doen. De penseelstreek is een actief deel van de intentie die in het schilderij is verborgen. Om de betekenis daarvan te begrijpen is de opdracht voor de kijker om dat te zien. 

Een schilderij van hem dat bestaat uit vlekken, de tijdgenoten waren diep onder de indruk van iets wat dichtbij onherkenbaar is van veraf herkenbaar wordt. Het schilderij verschijnt en verdwijnt. De figurerende personen verschijnen en verdwijnen. Ook wij kennen uit onze moderne tijd een schilder die een veldslag van vegen en druppels op zijn doeken realiseerde. Een ‘batalla de borrones’. Jackson Pollock!

Velasquez bevrijdt de schilderkunst van de sculptuur, zegt Toon Verhoef. Plasticiteit zien we als we dichtbij zijn. Op afstand worden de figuren onstoffelijk, ze worden een schim. Velasquez vermijdt volumes. Zijn wereld heeft dat niet, maar bestaat uit leemte. De toeschouwer raakt daardoor in verwarring. In Las Meninas weten we niet of wij naar de dwerg kijken, of de dwerg naar ons. Dat effect bereikt hij door zijn schilderwijze. De schilder verdwijnt uit het schilderij, de personages blijven bestaan voor ons.

Het werk van Velasquez past in de visie van zijn tijd. Zijn tijdgenoot Descartes, samen zijn ze in hetzelfde jaar geboren, reduceerde het denken tot rationaliteit. Velasquez reduceert de schilderkunst tot visualiteit.

Velasquez schildert in de tijdsperiode van de Barok. De tijd van de wenteling, de onrust, de diagonaal, de dynamiek. Ortega nuanceert zijn persoon als representant van deze stijlbeweging. ‘Hier moeten we eens en voor altijd afrekenen met het idee dat het individu altijd overeenstemt met zijn tijd. Deze fout ontstaat als we het idee hebben dat grote persoonlijkheden hun tijd vertegenwoordigen, terwijl het zo duidelijk is dat ze meestal iets tegenovergestelds vertegenwoordigen.’ Het essentiële element van de barok, de beweging is bij hem bedaard. Het is de bevroren gratie naast de tumultueuze barok. Beweging is essentieel, maar hij schildert het bevroren moment. 

Eigenlijk ontdekt hij hier het fotografische moment! Alle figuren worden weergegeven vanuit één punt, alsof hijzelf figureert als de lens van de camera. Hij schildert de tijd die gelijk is aan het moment. Hij schildert iets wat later kan voorbij gaan. Hij concentreert zich op dat ene specifieke ogenblik, hij geeft eeuwigheid aan het moment. En zoals Toon Verhoef uiteindelijk zegt: ‘Dat is wat Ortega bedoelt met het portret het radicale middelpunt van de schilderkunst maken. Hij portretteert de mens en de voorwerpen, hij portretteert de vorm, de houding, de gebeurtenis, het moment – en in Las Meninas portretteert hij het portret’.

Achter de afbeelding, de vlek die voor de toeschouwer onbeweeglijk op het doek ligt, schuilt de hele figuur van Velasquez. De man die vol in het moment leeft waarin zijn vingers met het penseel bewegen. Die vingers zijn, zegt Verhoef, ‘dita pensosa’, denkende vingers waarin zich de hele spanning van het leven zich concentreert. Het gaat erom dat wij zien dat alles wat aan de penseelstreek is toegevoegd, het leven, de spanning, de intentie, de persoon die daarin opgesloten is, aan ons wordt voorgesteld. Het schilderij is meer dan doek, hout of chemische substantie – het is een fragment van het leven van een mens en niets anders.

En zo naar Velasquez kijken, betekent ook dat wij de liefde voor dat alles bij Toon Verhoef in zijn eigen werk moeten kunnen ontdekken. Ook daar gebeurt niets zonder noodzaak, alles heeft een functie, het werk openbaart zich ook bij hem op afstand. De intense persoonlijke betrokkenheid in zijn penseelstreek herkennen wij ook bij Velasquez. De toeschouwer moet de keus durven maken om van daaruit de mythe in zijn werk en in dat van Velasquez te ontdekken. Als je dat kan, verlaat je de positie van kijker en wordt je deelnemer. En dan wordt kunst pas echt kunst!

Klik hier voor de video van edities@depont over Toon Verhoef.

Piet van Bragt