Roland Schimmel, Het onschuldige oog, 2014. Foto: Peter Cox

De reis begint met een zwarte cirkel geschilderd op een witte muur. Dit lijkt zo eenvoudig, maar leidt tot diepgaande filosofie over de werkelijkheid. Als je enige tijd goed kijkt naar de zwarte cirkel, en daarna naar een witte muur dan zie je op die muur de cirkel geprojecteerd, alleen in negatief. De cirkel lijkt nu witter dan de muur, de muur eromheen is lichtgrijs gekleurd. Dit is een nabeeld, het gevolg van chemische processen in het netvlies. Je ziet dus iets op dezelfde witte muur waar je even tevoren nog geen figuur zag.

Wat zou er nu gebeuren wanneer je op de plek van het nabeeld op de muur een vage cirkel projecteert? Je ziet dan een combinatie van het nabeeld en van het licht dat van de muur weerkaatst. Er is dus een cirkel zichtbaar maar wat de bron ervan is weet je niet. Zit de cirkel op de muur, of neem je iets waar dat in je eigen netvlies ontstaat?

Als je nog eens goed naar die zwarte cirkel kijkt dan zie je er een lichte rand omheen, als een soort corona. Je ziet het ook bij grijstinten. Hierdoor worden grijze stroken zelden egaal van kleur waargenomen. Dit is een gevolg van processen in het visuele brein. De manier waarop de zenuwen achter het netvlies met elkaar geschakeld zijn, via zogenaamde laterale inhibitie, leidt tot dit verschijnsel. Het heeft een versterking van contrasten tot gevolg en helpt ons bij de waarneming van lichtverschillen. Door de zogenaamde Mach-banden die dan ontstaan lijken grijze stroken soms wel gekromd, met schaduwen alsof ze door een externe lichtbron beschenen worden.

Wat nu wanneer iemand gekromde stroken grijs papier aan je laat zien? Zie je dan verschillen in licht door de schaduwwerking, of kijk je naar het resultaat van de laterale-inhibitieschakeling van je visuele zenuwcellen?

We zijn op reis het visuele brein in, beginnend in het netvlies, via de visuele neuronen naar gebieden waar ook onze herinneringen zich bevinden. Dieper in de hersenen liggen niet alleen de herinneringen uit onze persoonlijke geschiedenis, maar ook de zaken die bij ons als biologische soort horen. De evolutie heeft ons brein vormgegeven en de gevolgen daarvan bepalen voor een belangrijk deel hoe we kijken en wat we zien. Het is zeer moeilijk om daaraan te ontsnappen. Hierdoor zijn we bijvoorbeeld heel erg goed in het waarnemen van gezichten. Volkomen automatisch herkennen en interpreteren we gezichten. Ook zien we soms gezichten in figuren die niet als gezicht bedoeld zijn, een vorm van pareidolie (het zien van herkenbare vormen in iets dat niet zo is bedoeld).

Wat nu wanneer je opeens in een kunstwerk waar je naar kijkt een vorm herkent? Heeft de kunstenaar dat daar aangebracht, of is het een geval van pareidolie?

Als je kijkt naar het werk van Roland Schimmel dan zie je figuren die een gevolg kunnen zijn van nabeelden op je netvlies, van de laterale inhibitie in je visuele neuronen of van je vermogen om overal bekende objecten in te zien. Je weet niet meer of je kijkt naar een geprojecteerd beeld of dat je het beeld zelf invult.

Aan het einde van onze reis van het netvlies dieper het brein in vindt de beleving van het kunstwerk plaats. Waar het eindpunt van die reis zich precies bevindt is onbekend, maar als we dat eindpunt al kunnen vinden zit daar geen homunculus te kijken naar de input van alle neuronen om jou een beleving te verschaffen. Mogelijk is de hele reis zelf de beleving.

Je kunt de schilderijen en projecties van Roland Schimmel ook gewoon ondergaan als passieve beschouwer en ze mooi, interessant of anders vinden. Maar deze houding zal snel veranderen als je je realiseert dat je misschien wel meer ziet dan door de kunstenaar in het kunstwerk is aangebracht. Gebeurt dit invullen helemaal vanzelf, door onze hersenen, of hebben we daar zelf een actieve rol in? Kunnen we iets zien zonder het te interpreteren? Weten we eigenlijk wel of er een objectieve werkelijkheid bestaat die we met onze ogen kunnen waarnemen en kunnen we dit ooit wel weten?

De subjectieve beleving is misschien wel het grootste raadsel van de psychologie. Het raakt aan de grote filosofische vragen, bijvoorbeeld die over het bewustzijn, het 'zelf', en het 'other mind' probleem. Dat laatste gaat over het feit dat je maar moet aannemen dat anderen bestaan, en dat ze ongeveer zo functioneren als jezelf, maar dat je nooit kunt weten hoe de belevingen die anderen hebben eruit zien. Je kunt ook niet weten óf ze wel belevingen hebben. Als je zelfs je eigen gewaarwordingen niet helemaal onder controle hebt, wat kun je dan weten van de gewaarwordingen van anderen?

Als het werk van Schimmel iets doet, is het je aan het denken zetten over de werkelijkheid en over de plek die je daarin zelf hebt. Twijfelen aan de 'objectieve werkelijkheid' en je realiseren dat die voor een groot deel afhankelijk is van de positie die je daar zelf in inneemt brengt je dichterbij die werkelijkheid. Erkennen van het feit dat deze werkelijkheid niet alleen afkomstig is van je eigen ogen, je eigen brein maar ook van je persoonlijke geschiedenis, de cultuur waarin je bent opgegroeid, je biologie en je psychologie is een stap in de richting van het erkennen van de werkelijkheden van anderen. Dat dit leidt tot meer wederzijds begrip en tolerantie is misschien wat veel geëist, maar tot minder zal het niet leiden. Zelfs goed en kwaad blijken misschien niet absoluut meer, maar kunnen gaan afhangen van de context.

We begonnen onze reis met een wetenschappelijke beschrijving van de verschijnselen die de kunst van Schimmel oproept. De twijfel aan de objectieve werkelijkheid van die verschijnselen leidt ook tot twijfel aan deze zelfde wetenschappelijke beschrijving van de verschijnselen. Twijfel is de bron van het denken, zonder twijfel geen keuze, geen spijt en geen mogelijkheden. Twijfel is tegelijkertijd ook weer de bron van diezelfde wetenschap, de twijfel laat je de dingen onderzoeken. Zo blijven we rondgaan in de cirkel waar we mee begonnen, waarin we een werkelijkheid creëren, eraan twijfelen, hem onderzoeken, onze ideeën bijstellen en een nieuwe werkelijkheid zien.