Kunst en de Thorbecke-paradox
Uit de keuken van de curator

Kunst en de Thorbecke-paradox

07/07/2009

Onlangs is weer nieuw hout gegooid op de immer smeulende discussie omtrent het bekende Thorbecke-principe, dat luidt: ‘De regering is geen oordelaar van wetenschap en kunst.’ In reactie op twee artikelen gepubliceerd in het NRC Handelsblad, publiceerde NRC dit artikel van de hand van Charles Esche en Steven ten Thije.

Opmerkelijk in de discussie is dat voorbij gegaan wordt aan het paradoxale karakter van het huidige gebruik van Thorbecke’s principe. Volgens ons ligt in deze paradox de sleutel om voorbij de huidige impasse van af- of bijvaller te komen en tot een werkelijk democratische kunstpolitiek te komen.
Als eerste is het belangrijk om te realiseren dat vandaag de dag het Thorbecke-principe niet meer dient als verdediging voor een liberale, op de vrije markt gebaseerde ideologie – de ideologie die Thorbecke zelf aanhing -, maar een schild is voor de ‘autonomie’ van de kunst. Een autonomie die zowel los van de markt als van de staat lijkt te staan. De staat wil kunst wel financieren, maar wil niet voor de specifieke invulling van die financiering verantwoordelijk zijn, noch wil ze dat de markt het alleen bepaalt. Hieruit bestaat de paradox van het principe: niet willen, maar wel moeten oordelen.

Deze lastige situatie is in het Nederlandse publieke bestel opgelost door een bufferlaag van experts tussen parlement en veld te schuiven die vanuit een pseudoautonomie de regering adviseren. De kunstraden, stichtingen en fondsen functioneren als een soort witwas-machine voor overheidsgeld; publiek geld wordt autonoom geld. Los van staat en markt is het kunstenveld keurmeester van eigen waar en zegt gechargeerd: ‘Het is goed, want wij vinden het zelf goed.’ Deze onwenselijke situatie komt, volgens ons, voort uit het gebrekkige inzicht in het belang van een autonome kunst binnen het geheel van een democratische samenleving.

Wij begrijpen kunst als autonoom als het ten volle zijn mogelijkheden benut om zich vrij uit te drukken binnen het democratische proces los van specifieke politieke wensen of commerciële overwegingen. 

Zo kan kunst, volgens ons, een constructief onderdeel zijn van een democratie. Om dit te begrijpen moet eerst een algemene opmerking over democratie worden gemaakt. Een democratie velt an sich geen oordeel over iets, maar is een systeem dat oordelen mogelijk maakt. Een democratie heeft een actief volk nodig om tot oordelen te komen.

Voor een functionerende democratie moeten de leden van de samenleving met elkaar spreken over gedeelde ervaringen om tot collectieve inzichten te komen. Het kunnen interpreteren van ervaringen is daarmee van cruciaal belang voor een democratie. Kunstenaars zijn professionals in het analyseren en creëren van ervaringen. Het bespreken en doordenken van deze werken is daarom van belang voor een democratische samenleving. Het voedt de noodzakelijke, publieke discussies over zowel maatschappelijke als economische voorkeuren.

Een zo opgevatte kunst kan ook floreren in het huidige systeem mits we het anders begrijpen. Laat de tussenlaag tussen politiek en veld de kwaliteit van het (democratische) gesprek dat ontstaat over het werk controleren, om zo de receptie van het werk te betrekken in de criteria voor subsidieverlening. Op deze wijze kunnen politici zich ook mengen in het gesprek over kunst, omdat het gesprek over kunst net zo open en democratisch is als het publieke debat. Het spreekt voor zich dat een dergelijke heroriëntatie een grote wijziging voor de huidige kunstpraktijk betekent op een manier die nu nog niet overzien is en die serieus onderzoek vereist. Maar alleen op deze manier kunnen we uit de impasse breken die de huidige interpretatie van Thorbecke’s principe creëert, om zo te komen tot een democratische kunstpolitiek.

Charles Esche en Steven ten Thije

online gepubliceerd op de website van het NRC op 18 juni 2009
http://www.nrc.nl/opinie/article2275391.ece/Kunst_en_de_Thorbecke-paradox