1946-1963: Edy de Wilde

Naar een museum voor moderne kunst…

In juli 1946 startte de jurist Edy de Wilde (1919-2005) als eerste naoorlogse directeur van het Van Abbemuseum met zijn werkzaamheden. Samenhangend met de optimistische sfeer van de Wederopbouw en de leidende positie die Eindhoven als geïndustrialiseerd centrum in Zuid-Nederland wilde innemen, was de gemeente vastbesloten om met het museum een meer cultureel elan te demonstreren. De Wilde verkeerde daarmee in een fundamenteel andere uitgangspositie dan zijn voorganger. De weerstand tegen zijn beleid van moderne kunst was aanvankelijk niettemin aanzienlijk, ondanks het pionierswerk van Visser.

Edy de Wilde, 1962Edy de Wilde, 1962

De Wilde bouwde de collectie vanaf de basis op. De vooroorlogse verzameling – in totaal ongeveer 70 schilderijen van overwegend Nederlandse kunstenaars – negeerde hij daarbij grotendeels omdat deze naar zijn idee incompleet en in kwalitatieve zin onvoldoende was. In artistieke zin en qua waardering waren de tijden veranderd en vanaf de late jaren veertig zou het beleid van het museum in toenemende mate worden vereenzelvigd met de klassiek-moderne en eigentijdse avant-garde kunst. Met dat harde oordeel onderstreepte De Wilde ook dat de positionering van het museum een andere visie en financiële offers vereiste. Het streven naar een brede verzameling moderne Nederlandse kunst werd in 1951 bijgesteld in een gedenkwaardige rede voor de gemeenteraad. De Wilde bepleitte toen vooral voor internationalisering van de collectie met het expressionisme als specialisatie. Alleen zo zou het museum zich kunnen profileren ten opzichte van de andere Nederlandse musea voor moderne kunst (1).

Zaaloverzicht collectiepresentatie 1957.Zaaloverzicht collectiepresentatie 1957.

De Wilde werd in zijn beleid gesteund door de in 1949 opnieuw ingestelde Commissie van Advies, met als leden van het eerste uur A.M. Hammacher (directeur Rijksmuseum Kröller-Müller) en H. Jaffé (conservator Stedelijk Museum). Minder harmonieus was de relatie met de Commissie van Toezicht, die voorstander bleek van een collectie waarin ook oude kunst was opgenomen. Het conflict bereikte zijn hoogtepunt toen deze commissie in 1951 het vertrouwen in de Wilde opzegde vanwege de ‘eenzijdige’ aankopen van moderne kunst (2). Uiteindelijk werd het conflict beslecht door het College van B&W, maar pas in 1955 werd officieel vastgelegd dat het aankoopbeleid van het museum uitsluitend de moderne kunst betrof (3). De nieuw benoemde Commissie van Toezicht steunde toen wel het beleid van De Wilde uit overtuiging.

Schema ontwikkeling moderne kunst De Wilde t.b.v. voordracht raadsvergadering 23-02-1949Schema ontwikkeling moderne kunst De Wilde t.b.v. voordracht raadsvergadering 23-02-1949

Aankopen: de basiscollectie en verder…

De verwerving van ‘Hommage à Apollinaire’ (1912) van Marc Chagall in 1952 zou het uitgangspunt worden voor de vorming van de zogenaamde ‘basiscollectie’: een kleine groep schilderijen, representatief voor de ontwikkeling van het expressionisme én kubisme(4) (5). Het verzamelen van kubistische schilderijen was voordien geen optie, maar kwam dus binnen gezichtsveld door de verwerving van dit werk. Met recht kan het schilderij niet alleen als een hoogtepunt in het oeuvre van Chagall worden gezien maar ook als een sleutelwerk binnen de basiscollectie. De Wilde wist met zijn aankoopbeleid in korte tijd voor de basiscollectie een respectabel aantal klassiek-moderne meesterwerken te verzamelen, waaronder schilderijen van Wassily Kandinsky, Oskar Kokoschka, Robert Delaunay, Piet Mondriaan, Georges Braque en Juan Gris. De aankoop van Pablo Picasso’s ‘Femme en vert’ (1909) leidde evenwel tot rumoer, vooral vanwege het in 1954 ongehoord hoge aankoopbedrag van € 51,731 (114,000 gulden) (6). Desondanks werd begin 1954 door de gemeenteraad een extra krediet toegekend om het werk te financieren en een kwalitatief hoogstaande basiscollectie te kunnen voltooien. Met de toekenning was ook het eerste bewijs geleverd dat De Wildes behoedzame manoeuvres – eigenzinnig en met een goed gevoel voor de plaatselijke bestuurlijke verhoudingen – hun vruchten begonnen af te werpen. Gezien het feit dat de moderne kunst omstreden was kwam het museum daarbij een bemiddelende taak toe, zo benadrukte De Wilde (7).

Pablo Picasso, Femme en vert, 1909. Foto: Peter CoxPablo Picasso, Femme en vert, 1909. Foto: Peter Cox

Toen de basiscollectie contouren kreeg richtte De Wilde zijn aandacht op de vorming van een zogenaamde ‘overgangsgroep’ tussen de basiscollectie en de hedendaagse kunst. Ook deze groep muntte uit door hoge kwaliteit (o.a. schilderijen van Pablo Picasso, Fernand Léger, Max Beckmann en Joan Miró). De Wilde verwaarloosde zijn grote liefde – de Franse hedendaagse schilderkunst – zeker niet. Het lyrisch-expressieve werk van Jean Bazaine werd een ‘specialiteit van van het huis’. Verder werden eveneens schilderijen van Roger Bissière, Alfred Manessier en Serge Poliakoff verworven. De Parijse kunst bleek toonaangevend. Vanaf 1950 werd deze in toenemende mate gevitaliseerd door niet-Franse kunstenaars. Met verwervingen in de tweede helft van de jaren ’50 (o.a. Antonio Saura, Hans Hartung en Pierre Alechinsky) kwam De Wildes aankoopbeleid in een breder vaarwater. Naast werken in de abstract-expressieve richting werden ook doeken aangekocht van kunstenaars die de toon zetten voor de materieschilderkunst (Jean Dubuffet en Antoni Tàpies).

Jean Bazaine in gesprek met Edy de Wilde (rechts) tijdens opening solotentoontelling 1958. Foto: Martien CoppensJean Bazaine in gesprek met Edy de Wilde (rechts) tijdens opening solotentoontelling 1958. Foto: Martien Coppens

Bij de collectie Nederlandse kunst werd eerst een solide basis van voornamelijk vooroorlogse kunst gevormd (o.a. Charley Toorop, Hendrik Chabot en Piet Mondriaan), terwijl vanaf de helft van de jaren vijftig in hoog tempo de hedendaagse Nederlandse kunst zijn intrede deed (o.a. Corneille, Karel Appel en Jaap Wagemaker). Richtsnoer bij het aankoopbeleid al die jaren was steeds dat alleen door beperking en scherpe keuzes een consistente collectie kon worden gevormd.

Tentoonstellingen

In zijn tentoonstellingsbeleid bewandelde De Wilde de wegen der geleidelijkheid. Met als belangrijkste uitzondering de spraakmakende tentoonstelling Moderne Meesters (1947) werden voor 1950 voornamelijk tentoonstellingen georganiseerd van Nederlandse kunstenaars. Daarna werd het beleid meer internationaal. Met groepstentoonstellingen als Moderne Franse Religieuze Kunst (1951) en 11 tijdgenoten uit Parijs (1953) werd de Franse toonaangevende kunst geïntroduceerd. Een beeld dat later aan de hand van solotentoonstellingen verder werd verfijnd.

Uiteraard organiseerde De Wilde ook solotentoonstellingen van belangrijke kunstenaars in de collectie, onder meer van Carel Willink (1949), Herman Kruyder (1952), Raoul Dufy, Alfred Manessier (1955), Roger Bissière, Robert Delaunay, Fernand Léger (1957), Jean Bazaine (1958), Jean Dubuffet (1960), Karel Appel en Corneille (1961). Bijzonder waren ook de groepstentoonstellingen gewijd aan de artistieke ontwikkelingen in Parijs en Londen (i.e. Kompas I en Kompas II ). Deze reeks zou worden voortgezet door De Wildes opvolger Jean Leering. Dat gold tevens voor de groepstentoonstellingen gewijd aan Brabantse kunstenaars die vanaf 1953 plaatsvonden.

Zaaloverzicht Kompas I (1961) met werk van Jean DubuffetZaaloverzicht Kompas I (1961) met werk van Jean Dubuffet

In 1963 werd de Wilde benoemd tot directeur van het Stedelijk Museum te Amsterdam. Bij zijn vertrek had het museum zijn provinciaal imago afgeschud en behoorde het tot de leidende Nederlandse musea. Het bezoekersaantal was sinds zijn aanstelling verzevenvoudigd, maar De Wilde zelf was de eerste die de stijgende publieke belangstelling relativeerde. Niet het publiek maar de kunst stond voorop, zo stelde hij nadrukkelijk bij zijn afscheid: ‘Want kunst is niet het mooie ding waarop het woord kunstgenot toepasselijk is, maar het is de reactie van de kunstenaar op de wereld om hem heen. Hij geeft die wereld een gezicht en maakt die wereld zichtbaar. Als het museum erin slaagt het kunstwerk die kans te geven, heeft het aan zijn taak voldaan’ (8).

Noten

  1. In zijn rede benadrukte De Wilde dat de plannen voor het verzamelen van oude kunst niet te realiseren waren. Kwaliteit diende altijd het uitgangspunt te zijn bij de opbouw van de verzameling. Bij  oude  kunst echter was kwaliteit onbetaalbaar:  Inleiding, gehouden door Mr. E.L.L. de Wilde op 18 October 1951 voor de leden van de Gemeenteraad, de Commissie van Toezicht en de Culturele Raad
  2. Brief Commissie van Toezicht aan het College van B&W, 16-10-1951
  3. Verordening op het Stedelijk Van Abbemuseum der Gemeente Eindhoven, 31-05-1955
  4. Besluit aankoop Marc Chagall ‘Hommage à Apollinaire’ College van B&W, 31-03-1952
  5. Brief Marc Chagall naar aanleiding van aankoop, 30-01-1952
  6. Commentaren aankoop Picasso
  7. Brief E. de Wilde aan burgemeester H.A.M.T. Kolfschoten, 20-12-1955
  8. Afscheidstoespraak E. de Wilde voor de Eindhovense Museumkring, 29-08-1963

Home